Vlaamse katholieken omarmen Jan Zwart

ROESELARE-  Het thema 500 jaar Luther trekt ook buiten de protestantse wereld veel aandacht.  Dat bleek ook in de Geuzentempel, de Protestantse kerk van de West-Vlaamse stad Roeselare, waar het Davidsfonds, in het kader van de jaarlijkse ‘Nacht van de geschiedenis’, een bijeenkomst hield over het thema: ‘Lutherse klanken, 500 jaar protestantisme door een muzikale bril’. Het in 1875 opgerichte Davidsfonds is een zeer vooraanstaande katholieke culturele instelling, die boeken uitgeeft en manifestaties organiseert.

De Geuzentempel begint vol te lopen

Het thema deed de kerk vollopen met betalende bezoekers. Na een resumé over Luther werd Elly Bouman, sinds september 2016 predikant van de Protestantse gemeente in Roeselare bevraagd over de inhoud van het protestantisme en verschillen met het rooms-katholicisme.

Vervolgens kwam de hoofdmoot aan de orde: protestantisme en muziek. De noten kwamen voor rekening van Tim Bouwsma, organist in Goes, Arnemuiden, Nieuw- en Sint Joosland en Ritthem. Ook de begeleidende teksten waren van zijn hand, maar die werden voorgelezen door dominee Bouman.  Het eerste deel betrof een toelichting op ‘Luther in de Duitse orgelliteratuur’

Bouwsma ging in op het belang dat Luther en Calvijn hechtten aan muziek. Calvijn viel Augustinus bij, die als bisschop van Hippo (van 396-430) de befaamde zin ‘cantat bis orat’  (‘Wie zingt, bidt dubbel’) uitsprak. Luther zag  muziek  in het bijzonder” in de dienst van God gesteld. Hij sprak van  “een schone en heerlijke gave van God”,  die een bijzondere verwantschap tussen godsdienst en wereld bewerkstelligt “, die nauw in verband staat met de theologie”.

Het is dan ook niet vreemd dat beide reformatoren aan de kunst (waaronder de muziek), maar ook aan vele andere terreinen van het natuurlijke leven, een godsdienstige maatstaf verbonden. De waarde daarvan werd afgemeten naar haar nauwere of ruimere samenhang met het christelijke geloof. Vooral Luther onderstreepte de heilzame en opvoedkundige werking van muziek.

Nieuwe Kerk Amsterdam

Bouwsma ging in op de rol die Jan Pieterszoon Sweelinck speelde bij het ontstaan van protestantse kerkmuziek. Sweelinck werd op 15-jarige leeftijd organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Eén jaar na zijn aantreden kregen in 1578 zowel de Oude als de Nieuwe Kerk onder invloed van de reformatie een gereformeerde signatuur. Of Sweelinck als stadorganist  in overheidsdienst zelf ook protestants werd is onduidelijk. Wel is bekend dat zijn oeuvre is gebaseerd op zowel wereldlijke, rooms katholieke, als reformatorische thema’s.

Sweelinck bespeelde dagelijks zijn orgel, waarbij hij o.a. varieerde op thema’s, en zo zijn toehoorders vertrouwd maakte met de melodieën van liederen uit de Reformatie. De muziekkunst van Sweelinck moet niet worden onderschat. Het zijn niet de minsten die naar Nederland trokken voor onderricht van Sweelinck. Schultz en Praetorius reizen in 1616 met Scheidemann naar Amsterdam om zich in het orgelspel te vervolmaken. Dat deden ook Scheidt uit Halle, Seifert uit Danzig en Schildt uit Hannover.

De (orgel)muziekkunst van Schultz, Praetorius, Scheidemann en hun leerlingen culmineerden tot één grote naam. En wel die van de barokke grootmeester die beschikte over een Lutherbijbel. Die wat Luther had vertaald doorwrocht en doorleefd verwerkte tot motetten, cantates, koraalvoorspelen en -fantasieën: Johann Sebastian Bach.

Etalage in Leipzig

Bouwsma speelde na deze toelichting de volgende werken:

a)Choralvorspiel ‘Erhalt uns Herr bei Deinem Wort’, D. Buxtehude (1637–1707). b)Choralvorspiel ‘Nun freut euch, lieben Christen g’mein BWV 734’, J.S. Bach (1685-1750)

c)Choralvorspiel ‘Nun komm, der Heiden Heiland BWV 659’, J.S. Bach (1685-1750).

d)Choralvorspiel ‘Ein feste burg ist unser Gott’, J.N. Hanff (1665-1712)

Na deze muziek volgde een toelichting op ‘De Reformatie. Psalmen en gezangen met het hart naar Jeruzalem’.

Voor zowel Maarten Luther als voor Johannes Calvijn hadden de psalmen een diepe betekenis en grote waarde. Beiden spanden zich  in om deze puur Bijbelse liederen te vertalen en op melodie te zetten. Zo legden zij de gelovigen een lied op de lippen en werden deze, door de afwisseling van gesproken en gezongen woord, actief bij de eredienst betrokken. Luther en Calvijn tekenden zelf slechts voor een klein deel van de psalmberijmingen en reformatorische kerkliederen. Ze schakelden vakmensen in (dichters en musici). Met als resultaat dat in vele kerken nog steeds de psalmen en de liederen van de reformatie worden aangeheven.

Vooral de kerkmuziek in de reformatorische kerken in Nederland staat sterk onder invloed van de psalmen, zoals Johannes Calvijn die heeft neergelegd. Een opvallende persoon in de geschiedenis van de Nederlandse koraalkunst was   organist, cantor, kerkmusicus, historicus en publicist Jan Zwart. Hij  werd op 20-jarige leeftijd organist van de Hersteld Evangelisch Lutherse kerk te Amsterdam. In een tijd waarin veel hoofdstedelijke organisten zich vooral bezig hielden met het arrangeren en spelen van oratoria en orkeststukken, brak Zwart met deze traditie en propageerde hij oprechte oude, klassieke en moderne orgelmuziek. Daarnaast zette hij zich onvermoeibaar in om de orgelmuziek bij een breed publiek onder de aandacht te brengen, door concerten en een wekelijkse orgelbespeling via de NCRV-radio.

Bamboe-orgel Roeselare

Zwart was als groot kenner en bewonderaar van Sweelinck een pleitbezorger van een ‘eigen Nederlandse kerkmuziek’. Die had onder Sweelinck zo had gefloreerd, maar was  daarna gedegradeerd. In navolging van Luther en Calvijn wilde Jan Zwart met zijn composities de eenvoudige organist bruikbaar materiaal verschaffen en anderen aanzetten tot componeren. De werken van Zwart dragen het stempel van de romantiek en hoewel de toegepaste cadens-harmoniek en septiemakkoorden nu minder gangbaar zijn, getuigen zijn werken van inventiviteit, vormbesef en vakmanschap. Daarbij zijn de composities en koraalharmonisaties van Zwart uitermate geschikt voor het inleiden en begeleiden van de stoere (en zeker in zijn tijd massale) gemeentezang.

Als cantor voerde Zwart tijdens kerkelijke feestdagen met zijn kerkkoor menig groot koorwerk uit. Daarnaast schreef hij ook muziek voor zijn koor. Binnen deze koraalcantates schiep hij een eenheid tussen koorzang, orgelverzen en cantus firmus-zang door de kerkgangers. Het koor zong daaromheen contrapuntische figuren. Zo werd het kerkvolk actief bij de lofzang betrokken.

Applaus klinkt op…

Het is onduidelijk of in het leven en werken van Zwart de van huis uit Calvinistische christen dan wel de Luthers geworden gelovige de overhand had. Het meest voor de hand ligt dat juist de spanning tussen beide, of misschien beter gezegd, de aanvulling op elkaar, de kaars van zijn leven aan twee kanten heeft laten branden. ,,Eén ding staat vast en we zeggen het Feike Asma na: “Zonder Calvijn geen Sweelinck, zonder Luther geen Bach, zonder Jan Zwart geen hedendaagse Nederlandse orgelcultuur”, aldus Bouwsma.

Hij speelde vervolgens:

a)Koraalbewerking Psalm 116, vers 1, 3 en 5, Anth. van Noordt (1619-1675)

b)Koraalvoorspel Psalm 6, J. Zwart (1877-1937)

c)Orgelkoraal Psalm 91, J. Zwart (1877-1937)

d) Trio ‘Gebed des Heeren’, J. Zwart (1877-1937)

 

Nadat applaus had geklonken volgde een gezellig samenzijn onder genot van wijn als oecumenisch smeermiddel. Daarbij reageerden  bezoekers verrast op de schoonheid van Zwarts koralen. Die waren daar in West Vlaanderen wellicht nooit eerder uitgevoerd.

 

Tenslotte zij nog gewezen op een bijzonderheid. Het orgel is van bamboe gebouwd en daardoor tamelijk uniek. Klik hier voor meer bijzonderheden.

http://www.hauptwerk.nl/roeselarenl.php